Skip to content

Ellen op het WK Poetry Slam 2010

15 juni 2010

“Nederlands is gewoon een ‘ugly language'”

Door onze verslaggever Ellen Deckwitz

Op maandagmiddag 7 juni vertrok ik naar het WK Slam in Parijs om daar Hollands Glorie te verdedigen. Dat ging niet geheel soepel aangezien ik een uur voor vertrek nog in de veronderstelling verkeerde dat ik op dinsdag moest afreizen en een beetje in bed aan het lummelen was. Uit verveling speelde ik een beetje met de treintickets die de organisatie me had doen toekomen en las opeens dat ik verondersteld werd om de trein van half twee te nemen… op maandag in plaats van dinsdag. Toen ik daar achter kwam, was het inmiddels maandagmiddag half een. In een half uur een tas met min of meer schone was ingepakt, paspoort onder het stof vandaan getrokken om vervolgens naar het station te racen, onderweg nog een reisverzekering af te sluiten en alle afspraken voor de rest van de dag te annuleren. Vier uur later stond ik op Gare du Nord in Parijs, de zwervers van me af te slaan.

Het zevende WK Slam werd gehouden in Bobigny, een voorstad van Parijs, vergelijkbaar met Gouda: veel criminaliteit, je wilde ’s avonds echt niet in je eentje over straat. Op een zeker moment passeerde ik rond half twee in de morgen een groep Franse jongeren die elkaar met strijkers bekogelden. Bobigny doet qua architectuur nog het meest denken aan het Oostblok: veel beton, weinig decoratie, vooral functie. Het theater waar het toernooi plaatsvond maakte deel uit van een gigantisch stenen doolhof waar je makkelijk in kon verdwalen. Als je de verkeerde afslag nam stond je opeens in een gaarkeuken, nam je vervolgens weer een verkeerde afslag dan stond je opeens in de stadhuishal en ga zo maar door. Ons appartement bevond zich bovenop het stadhuis, een immens gebouw dat zo kon figureren in een film over het Sovjettijdperk. Op de hoogste verdieping lagen de kamers. Als ik ’s ochtends de luxaflex omhoog trok, stond ik meteen oog in oog met de Eiffeltoren. Wat is dat toch een handig ding, weet je altijd waar ter wereld je je ongeveer bevindt.

De dagen waren lang maar heel leuk. Overdag bezochten we plaatselijke basisscholen. De kinderen daar hadden slamworkshops gekregen en gaven een proeve van hun kunnen, werkelijk heel indrukwekkend, alles met een groot enthousiasme gebracht. Een jongetje droeg een liefdesgedicht voor en zei “Mijn vriendinnetje is zo schoon, ze ruikt naar Ariel (het wasmiddel)”. Zo ben je automatisch verzekerd van de volgende generatie slammers. Zouden wij in Nederland ook eens moeten proberen. Overigens opmerkelijk dat alle kinderen dachten dat Nederland ergens bovenin Denemarken lag.
In de avonduren vond het toernooi plaats. Het tijdsschema was met een Franse slag in elkaar gezet waardoor iedere wedstrijd gemiddeld een uur te laat van start ging, hetgeen erg frustrerend was voor de slammers. Naast het internatonale kampioenschap waren er bovendien ook de Franse kampioenschappen. Het was verbazingwekkend hoe het niveau hier wisselde. Veel gedichten gingen over hetzelfde, zoals “la revolution”, “des reves” en “des pensees”. De performance wisselde eveneens, veel houten Klazen die van papier voorlazen en stamelden. Noem me een chauvinist, maar ik kreeg de indruk dat het gemiddelde slamniveau in Nederland toch hoger ligt.
In Frankrijk kom je voor de landelijke kampioenschappen uit met een team dat uit vier slammers bestaat. Iedereen draagt een gedicht voor en krijgt punten, en de gezamenlijke punten bepalen of je team door gaat naar de volgende ronde. Daarnaast wordt er bijgehouden wie per team het best scoort. De top tien trekt ten strijde in de individuele finale. Zo kon het dus gebeuren dat er uit sommige teams drie slammers doorgingen naar de landelijke finale (zoals het team van Bobigny) en uit sommige teams geen één. Uiteindelijk won het team van Bonigny de teamfinale, en slamster Gabrielle uit het team van Parijs de individuele kampioenschappen.
Er is geen vakjury zoals bij ons in Nederland. De jury wordt van tevoren gekozen, en bestaat uit vijf mensen uit het publiek. Zij krijgen een scorebord waar ze punten tussen de 1 en de 10 op kunnen geven. Na ieder gedicht telt de slamhost af en houden ze de scores omhoog. Het hoogste en laatste cijfer vallen af, en de drie overgebleven scores worden bij elkaar opgeteld. Na drie rondes heb je dus een eindscore. Hierbij kan, volgens boze tongen, nepotisme een grote rol spelen. Vorig jaar won de Franse slammer Laurent Etienne.com het nationale kampioenschap, deels doordat hij een zaal vol vrienden had meegenomen en enkelen van hen in de jury belandden (zo’n beetje het Nederlandse equivalent van Jasper Pappenheim).
Het was interessant om te zien hoe deze Etienne.com het in de kwartfinale deed. Hij had een grote groep mensen meegenomen en zelfs een cameraploeg. Hij had alleen de pech dat de jury niet uit zijn vrienden bestond en kreeg lage cijfers. Voor mijn gevoel geheel terecht. Vooraf leek hij bijvoorbeeld een aardige jongen om te zien, maar tijdens zijn performance verdraaide hij zijn hele gezicht op een Louis de Funes-achtige manier, behalve dan dat het bij Louis de Funes wél grappig is. Zoek hem maar op op youtube, het was alsof hij spastisch werd, alsof tijdens zijn optreden er onder verschillende gebieden in zijn gezicht aardbevingen plaats vonden. Ook waren zijn gedichten inhoudelijk tenenkrommend, verzen in de trant van “Dag dames, zoek geen macho, zoek geen verlegen man, kies mij!” etc. Bij het vrouwelijk deel van het publiek vroor de clithoris er af. Bij mij ook, maar ik wist er nog achteraan te redden en te voorkomen dat hij onder het podium rolde.
Over naar het WK zelf. Goede sfeer, aardige mensen, enthousiaste organisatie. Het was heel inspirerend om te zien wat voor verschillende stijlen er waren qua slam. De nationale kampioen van Madagaskar, Tagman Nagwat, zong een groot deel van zijn voordracht. Zo had hij een gedicht op de melodie van Queens “We will rock you”. Inhoudelijk helaas wel zwak (hij heeft drie minuten achter elkaar “we will slam you” lopen zingen), maar het werkte en hij kreeg hoge punten. Andere deelnemers toonden hoe je in teamverband kon slammen. Ian Keketu van Canada had een lid van zijn crew meegenomen en deden met zijn tweeën, tweestemmig, een gedicht, met een gespiegelde choreografie.
Van de deelnemers waren de kampioenen van Amerika en Duitsland mijn favorieten. Amerika werd vertegenwoordigd door Amy Everheart, een meisje van amper twee turven hoog dat op haar lijf een aanzienlijke hoeveelheid tatoeages en piercings had aangebracht. Zij is de eerste vrouwelijke slamkampioen van Amerika en had sterke teksten met een hartverscheurende performance. Ze mixte verschillende onderwerpen zoals vechtscheidingen, het gewicht van papier en mensen van vroeger die je niet meer spreekt, tot een daverend geheel. Ze monteerde op slimme wijze verschillende onderwerpen aan elkaar, die ogenschijnlijk ver van elkaar af lagen. En de intensiteit waarmee ze het bracht, was overweldigend. Ze was de enige deelnemer waarbij de tranen me in de ogen sprongen.
Duitslands kampioen, Philipp Scharrenberg, was tekstueel geniaal en bijzonder grappig. Zo deed hij een gedicht over wat er zou gebeuren als je zou gaan koken met alle bekende filosofen uit de laatste 3000 jaar: “Un da sind Descartes, Er sagt: Essen ergo sum”. Dat soort vondsten, hij had de hele zaal plat.

In veel landen wordt er tijdens de nationale kampioenschappen ook in teams geslamd: drie tot vijf slammers samen op één podium die tegelijkertijd een gedicht performen. Tweestemmig, springen tussen verschillende microfoons, dans, je kunt het zo gek niet bedenken of ze doen het. Er is zoveel mogelijk, het is een goed plan om ook in Nederland zoiets op te zetten. Stel je eens voor wat slammers uit de landelijke top als bijvoorbeeld Gijs ter Haar, Pom Wolff, ACG Vianen en Daan Doesborgh zouden kunnen doen als ze in teamverband mochten optreden?!
Ik heb vrij veel tijd doorgebracht met Amerika en ze vertelde dat het slammen in teams daar vrij ver gaat. Voor een wedstrijd begint men drie maanden van tevoren met trainen, vijf dagen per week, drie uur per dag. Eenmaal aangekomen op het toernooi drinkt niemand alcohol, wordt er niet gefeest en moet iedereen voor tien uur ’s avonds op bed liggen. De geldprijzen zijn niet mis, en de professionaliteit evenmin. Aan een gemiddeld toernooi nemen 65 teams deel! Dat maakt de druk om te presteren groter. Ook in Duitsland is men vrij serieus hierin. Eind volgende week vertrek ik naar Berlijn om daar Philipp met zijn team te zien performen.
Maar geen teams in de wereldkampioenschappen. De opbouw van het WK was vergelijkbaar met het Franse systeem. Iedere wedstrijd bestaat uit drie rondes en vier deelnemers. In mijn ronde nam ik het op tegen Marjoleine Beauchamps uit Quebec, Mark Nair uit Singapore en Luanda uit Brazilië. Per ronde kreeg iedere deelnemer drie minuten de tijd om één gedicht te presenteren, alwaar ik de mist in ging. Ik dacht dat je één gedicht per ronde mocht. Dat klopte enigszins, maar waar ik voor één gedicht hooguit 40 seconden nodig had, presenteerden de overige slammers gedichten van tussen de 2 minuut 30 en de drie minuten. En dat maakt meer indruk
Daar komt echter bij, dat het overschrijden van de tijd zwaar wordt bestraft. Je hebt een reservetijd van tien seconden, en iedere tien seconden die daar bovenop komen, worden bestraft met 0,5 punt aftrek. Zo kwam het dat Amerika niet door was naar de halve finales. Zij was, van alle elf deelnemers, ronduit de sterkste, maar overschreed twee maal de tijd met veertig seconden! Tranen achteraf, haar scores waren buitengewoon hoog maar uiteindelijk onvoldoende. Mijn cijfergemiddelde was een 9,2, dat van de uiteindelijke winnaar een 9,8. Het lag allemaal zeer dicht bij elkaar.

De jury had, over het hele toernooi heen, een duidelijke mening, ook al bestond zij steevast uit wisselende personen. Wat werd gewaardeerd, was slam die uit een bepaalde opbouw bestond. De vier finalisten hadden een vergelijkbare stijl: per ronde één gedicht dat ongeveer drie minuten duurde. Iedereen begon het gedicht rustig, en naarmate het gedicht vorderde nam ook de intensiteit van de performance toe. Ieder gedicht kende een zekere herhaling van tekst, zoals het refrein bij een lied, dat van lading veranderde door de overige tekst. Er werd veel geschreeuwd, heftige gebaren, levendige mimiek. Tegen het einde van het gedicht werd er vaart geminderd om de slotzin langzaam uit te spreken en van een zekere lading te voorzien.
Ook inhoudelijk waren er bij de finalisten veel overeenkomsten. Iedereen sprak vanuit de eerste persoon en refereerde aan zichzelf. Vaak behelsden de gedichten een soort weerstand tegen sociale misstanden van allerlei allooi: oorlog, kapitalisme, hoe we oude mensen behandelen en ga zo maar door. Humor scoorde eveneens hoog.
Verder viel op dat de taal toch een rol speelt. Bij het WK was het de bedoeling dat je voordroeg in de hoofdtaal van je land. Iedereen die in het Frans of in het Engels slamde, was door naar de halve finale (behalve uiteraard Amerika, dat er vanwege tijdstrafpunten in de eerste ronde meteen uit lag). Dit was een frustrerende regel voor landen als Singapore. Mark Nair vertegenwoordigde Singapore waar de hoofdtaal Engels is, maar moést van de organisatie in het Maleis voordragen, een taal die hijzelf nauwelijks machtig is. Hier komt ook nog bij dat er op een groot doek achter de slammers, de vertalingen van de teksten werden geprojecteerd, vier versregels per sheet, in drie talen: je eigen taal, het Frans en het Engels. Dit liep echter niet geheel synchroon. Bij de laatste performance van Duitsland ging de hele vertaling de mist in waardoor niemand, behalve dan de twee aanwezigen die de Duitse taal machtig waren, het gedicht begreep. En dat kostte Duitsland punten.

Wat meteen opviel, is hoe de Nederlandse slam verschilt van de meeste andere landen. Niet alleen zijn bij ons er weinig slammers die één lang gedicht per ronde doen (Peter M. van der Linden en ACG Vianen schieten me te binnen), ook inhoudelijk zijn er grote verschillen. Als er al engagement in onze gedichten zit, dan is deze vaak impliciet. Internationaal bezien wordt expliciet engagement gewaardeerd boven subtiliteit. Ook maakte het de jury’s weinig uit of de teksten origineel waren. In Nederland hoef je in de slam niet aan te komen met teksten als “ik heb liefdesverdriet kijk het regent in mijn hart” etc terwijl dit soort, in mijn ogen clichématige, teksten het heel goed deden op het WK. Qua performance waren er minder verschillen. Ik denk dat je in Nederland best een slam kunt winnen met een op het oog hermetische tekst, als de performance maar klopt: kijk maar naar Martijn Teerlinck die afgelopen zaterdag nog Festina Lente won. Ik weet niet of het dat in het buitenland goed zal doen. Verder blijft er de taalbarriére. Tijdens mijn aankomst heb ik met een groep staan slammen in het Engels in de Franse club Culture rapide en daar kreeg ik de zaal plat. Na afloop van mijn optreden op het WK kwamen mensen op me af om te zeggen dat ze mijn teksten mooi vonden maar het Nederlands gewoon een “ugly language” vonden, vooral vanwege de vele g-klanken. Willen we een kans maken, dan moeten we misschien wel een Limburger sturen. Eens zien, hebben we slammers uit die regio?
Al met al was het deelnemen aan het WK een geweldige ervaring. Het is machtig om met mensen van jouw leeftijd van over heel de wereld een week lang bezig te zijn met poëzie en performance. Vooral met betrekking tot het laatste heb ik erg veel inspiratie opgedaan.
Al met al een geweldige week gehad. Volgend jaar vindt het WK plaats in Parijs zelf, ik raad iedereen die in de slam zit aan om er een kijkje te gaan nemen, het verruimt je blik op slam. Ben blij weer terug te zijn met een heleboel inspiratie om volgend jaar de slam op zijn kop te gaan zetten!

Scroll To Top